Stijgen en dalen
Zie onderstaande grafiek.
4p
a
Geef de maxima en minima van de grafiek.
1p
b
Hoe groot is het verschil tussen het maximum bij \(\text{B}\) en het minimum bij \(\text{C} \text{?}\)
a
Het minimum bij \(\text{A}\) is \(5 \text{.}\)
Het maximum bij \(\text{B}\) is \(25 \text{.}\)
Het minimum bij \(\text{C}\) is \(15 \text{.}\)
Het maximum bij \(\text{D}\) is \(40 \text{.}\)
4p
b
Het verschil is dan \(25 - 15 = 10 \text{.}\)
1p
3p
Welke soorten stijgen en dalen herken je op het interval \([-6 , 3] \text{?}\)
○
afnemend dalend op \(⟨-6 , -3⟩\)
toenemend stijgend op \(⟨-3 , 0⟩\)
afnemend stijgend op \(⟨0 , 1⟩\)
toenemend dalend op \(⟨1 , 3⟩\)
3p
3p
Welke soorten stijgen en dalen herken je op het interval \([-4 , 4] \text{?}\)
○
afnemend stijgend op \(⟨-4 , -3⟩\)
toenemend dalend op \(⟨-3 , 0⟩\)
afnemend dalend op \(⟨0 , 2⟩\)
toenemend stijgend op \(⟨2 , 4⟩\)
3p