Verhoudingen

2s - 3 oefeningen

VerhoudingTweeGroepen
003l - Verhoudingen - gevorderd - basis - 1ms
Getal & Ruimte (13e editie) - havo wiskunde A - 1.1 Getal & Ruimte (13e editie) - vwo wiskunde A - 3.1 Getal & Ruimte (13e editie) - vwo wiskunde A - 3.1

De verhouding tussen viooldocenten en gitaardocenten op een muziekschool is gelijk aan \(4:3\text{.}\) Er zijn in totaal \(56\) viooldocenten.

3p

Hoeveel docenten zijn er in totaal?

Er zijn \(4\) delen viooldocent, dus
\(4\text{ delen}=56\text{ }\text{viooldocenten}\text{.}\)

1p

Dus \(1\text{ deel}={56 \over 4}=14\text{ }\text{docenten}\text{.}\)

1p

Er zijn \(4+3=7\) delen, dus in totaal zijn er
\(7⋅14=98\) docenten.

1p

VerhoudingDrieGroepen
003m - Verhoudingen - gevorderd - midden - 5ms
Getal & Ruimte (13e editie) - havo wiskunde A - 1.1 Getal & Ruimte (13e editie) - vwo wiskunde A - 3.1 Getal & Ruimte (13e editie) - vwo wiskunde A - 3.1

De verhouding tussen havisten, vwo-ers en vmbo-ers op een scholengemeenschap is gelijk aan \(8:3:4\text{.}\) Er zijn in totaal \(75\) leerlingen.

3p

Hoeveel vmbo-ers zijn er meer dan vwo-ers?

In totaal zijn er \(8+3+4=15\) delen, dus
\(15\text{ delen}=75\text{ }\text{leerlingen}\text{.}\)

1p

Dus \(1\text{ deel}={75 \over 15}=5\text{ }\text{leerlingen}\text{.}\)

1p

Het verschil tussen vmbo-ers en vwo-ers is \((4-3)=1\) deel, dus er zijn
\(1⋅5=5\) meer vmbo-ers dan vwo-ers.

1p

VerhoudingTweeKeerTweeGroepen
003n - Verhoudingen - gevorderd - eind - 2ms
Getal & Ruimte (13e editie) - havo wiskunde A - 1.1 Getal & Ruimte (13e editie) - vwo wiskunde A - 3.1 Getal & Ruimte (13e editie) - vwo wiskunde A - 3.1

De verhouding tussen Belgen en Duitsers op een vakantiepark is gelijk aan \(3:5\) en de verhouding tussen Nederlanders en Duitsers is \(9:4\text{.}\) Er zijn \(200\) meer Nederlanders dan Duitsers.

4p

Hoeveel Nederlanders zijn er in totaal?

Belgen

\(3\)

\(12\)

Duitsers

\(5\)

\(4\)

\(20\)

Nederlanders

\(9\)

\(45\)

1p

Het verschil tussen Nederlanders en Duitsers is \((45-20)=25\) delen, dus
\(25\text{ delen}=200\text{ }\text{gasten}\text{.}\)

1p

Dus \(1\text{ deel}={200 \over 25}=8\text{ }\text{gasten}\text{.}\)

1p

Er zijn \(45\) delen Nederlander, dus in totaal zijn er
\(45⋅8=360\) Nederlanders.

1p

003l 003m 003n