Verhoudingen

2s - 3 oefeningen

VerhoudingTweeGroepen
003l - Verhoudingen - gevorderd - basis - 2ms
Getal & Ruimte (12e editie) - havo wiskunde A - 1.1 Getal & Ruimte (13e editie) - havo wiskunde A - 1.1 Getal & Ruimte (13e editie) - vwo wiskunde A - 3.1 Getal & Ruimte (13e editie) - vwo wiskunde A - 3.1

De verhouding tussen kinderen en senioren op een sportclub is gelijk aan \(5:9\text{.}\) Er zijn in totaal \(50\) kinderen.

3p

Hoeveel kinderen zijn er minder dan senioren?

Er zijn \(5\) delen kind, dus
\(5\text{ delen}=50\text{ }\text{kinderen}\text{.}\)

1p

Dus \(1\text{ deel}={50 \over 5}=10\text{ }\text{leden}\text{.}\)

1p

Het verschil tussen kinderen en senioren is \((9-5)=4\) delen, dus er zijn
\(4⋅10=40\) minder kinderen dan senioren.

1p

VerhoudingDrieGroepen
003m - Verhoudingen - gevorderd - midden - 9ms
Getal & Ruimte (12e editie) - havo wiskunde A - 1.1 Getal & Ruimte (13e editie) - havo wiskunde A - 1.1 Getal & Ruimte (13e editie) - vwo wiskunde A - 3.1 Getal & Ruimte (13e editie) - vwo wiskunde A - 3.1

De verhouding tussen tulpen, narcissen en hyacinten in een bloemenveld is gelijk aan \(7:3:9\text{.}\) Er zijn \(40\) meer tulpen dan narcissen.

3p

Hoeveel bloemen zijn er in totaal?

Het verschil tussen tulpen en narcissen is \((7-3)=4\) delen, dus
\(4\text{ delen}=40\text{ }\text{bloemen}\text{.}\)

1p

Dus \(1\text{ deel}={40 \over 4}=10\text{ }\text{bloemen}\text{.}\)

1p

Er zijn \(7+3+9=19\) delen, dus in totaal zijn er
\(19⋅10=190\) bloemen.

1p

VerhoudingTweeKeerTweeGroepen
003n - Verhoudingen - gevorderd - eind - 4ms
Getal & Ruimte (12e editie) - havo wiskunde A - 1.1 Getal & Ruimte (13e editie) - havo wiskunde A - 1.1 Getal & Ruimte (13e editie) - vwo wiskunde A - 3.1 Getal & Ruimte (13e editie) - vwo wiskunde A - 3.1

De verhouding tussen beelden en tekeningen in een museum is gelijk aan \(5:7\) en de verhouding tussen schilderijen en beelden is \(1:2\text{.}\) Er zijn in totaal \(290\) kunstwerken.

4p

Hoeveel beelden zijn er in totaal?

beelden

\(5\)

\(2\)

\(10\)

tekeningen

\(7\)

\(14\)

schilderijen

\(1\)

\(5\)

1p

In totaal zijn er \(14+10+5=29\) delen, dus
\(29\text{ delen}=290\text{ }\text{kunstwerken}\text{.}\)

1p

Dus \(1\text{ deel}={290 \over 29}=10\text{ }\text{kunstwerken}\text{.}\)

1p

Er zijn \(10\) delen beeld, dus in totaal zijn er
\(10⋅10=100\) beelden.

1p

003l 003m 003n